In het drieluik Chemie is overal (dat gepubliceerd wordt in Villamedia, het vakblad voor journalisten) schrijft de chemie over haar imago. Is de beeldvorming nog steeds afhankelijk van incidenten uit het verleden? Of heeft de chemie inmiddels voldoende krediet opgebouwd om met haar bijdragen aan een duurzame samenleving de pers te halen? Welke rol speelt de pers in de perceptie van deze sector? De chemie komt graag in gesprek met u, journalist.
We vernemen graag uw mening op de 2e stelling: "De journalist moet meer kennis van chemie hebben." Het reactieformulier vindt u onderaan dit artikel.
In deel 2 schetst Simon Rozendaal, wetenschapsredacteur van Elsevier, de situatie.
'Pers mist elementaire kennis over chemie'
Na de voedingsmiddelenindustrie is de chemie de grootste industriële sector van ons land. Ze levert een forse bijdrage aan het bbp en ze biedt werk aan 65.000 mensen. De branche werkt aan haar imago Maar de branche heeft last van een slecht imago. Vindt ze zelf. Daarom zijn bedrijven en scholen en volgehangen met opwekkende posters en worden andere activiteiten ondernomen onder de veelzeggende slogan ‘Chemie is overal’. Wetenschapsjournalist Simon Rozendaal (59) van Elsevier vindt dat collega-journalisten te weinig kennis van zaken hebben.
De chemische industrie vindt dat ze een slecht imago heeft. Deelt u die mening?
Ja, al is het beeld iets beter dan 30 jaar geleden. Toen ik in de journalistiek begon werd de chemie vooral als milieuvervuiler gezien. Langzamerhand beseft de samenleving dat de vervuiling misschien één procent is van wat ze 30 jaar geleden was.
Honderd keer minder vervuiling en een iets beter imago. Waarom loopt de imagoverbetering niet in de pas met het schoner worden van de sector?
De sector heeft natuurlijk een slecht track record. In het verleden heeft de chemie bijgedragen aan milieuvervuiling en dat blijft in de hoofden van mensen zitten. En verder is er veel onbekendheid. Als chemicus stoort het mij dat collega-journalisten zo weinig van chemie weten. Wanneer ergens een stof wordt aangetroffen, staat er al snel in de krant dat de grond vervuild is met gif, terwijl het van belang is in welke concentratie die stof aanwezig is. De pers mist elementaire kennis over chemie. Als vandaag-de-dag een norm wordt overschreden, lijkt het alsof we nog steeds grote milieuproblemen hebben, maar de norm van nu is honderd keer strenger dan de norm die we 30 jaar geleden hanteerden. Er zijn maar weinig journalisten in staat dit duidelijk over het voetlicht te brengen.
Speelt het een rol dat de meeste journalisten geen bèta-achtergrond hebben?
Absoluut. Dat speelt overal, maar in Nederland sterker dan in andere landen. Bovendien zijn we niet trots op onze industrie. De chemische industrie in het gebied, dat grofweg loopt van de Europoort, via Moerdijk en Zeeland tot in Antwerpen, is het grootste en sterkste van de wereld. Daar komen mooie producten vandaan en de milieubelasting is praktisch nul. Daar mag je als samenleving trots op zijn.
U verwijt de journalistiek gebrekkige kennis van chemie. Heeft de sector daar wellicht kansen laten liggen?
Ook wel. De chemische industrie heeft tamelijk slecht gecommuniceerd, maar het is de vraag of er een noodzaak was om het beter te doen. Ik noem dat het ‘Hotel New York dilemma’. De keuken van dat Rotterdamse etablissement is verschrikkelijk en mensen klagen erover. Maar het management redeneert: ‘wij weten dat onze keuken niet goed is, maar de mensen blijven komen’. Ik bedoel: kennelijk heeft een slecht imago de chemie niet geschaad.
De chemie kan bestaan zonder goed imago.
Elke bedrijfstak is gebaat bij correcte beeldvorming. Maar ik ben minder negatief dan voorzitter Rein Willems van de Regiegroep Chemie, die vóór mij op deze plek aan het woord kwam. Ik hoor met enige regelmaat dat mensen de Europoort prachtig vinden als ze er ’s avonds langsrijden. Dat hoorde je vroeger niet. In die tijd kwam de overlast van de stank op de eerste plaats, nu de feeërieke aanblik. Er is veel veranderd in de perceptie.
Maar er gaan werken is een stap te ver.
Dat is een breder maatschappelijk probleem. Het heeft ook te maken met ons onderwijs, dat jongeren niet stimuleert om zich verder in deze richting te scholen.
Helpt een campagne?
Het grappige is dat de chemie met precies dezelfde slogan een campagne had toen ik startte als journalist. Kennelijk is het moeilijk om op deze manier het beeld van een aantrekkelijke bedrijfstak neer te zetten. Wat mij betreft zou het wat steviger mogen. Sectoren die proberen hun maatschappelijke license to operate te krijgen, uiten zich in de meeste gevallen te voorzichtig, valt me op. Volgens mij is het effectiever om de boodschap uit te dragen dat de chemie een schone sector is, waar vervuiling nagenoeg is uitgebannen. Mensen weten best dat hun tennisracket een product van de chemische industrie is, maar ze denken dat de productie ervan gepaard is gegaan met zware milieuvervuiling. Dat beeld moet de industrie rechtzetten.
Praat hieronder mee over de stelling: "De journalist moet meer kennis van chemie hebben."


Reacties
Hydrocarbons worden dan hydrocarbonaten, terwijl het koolwaterstoffen moeten zijn. Als leerkracht leren we leerlingen wel wat koolwaterstoffen zijn. maar als ze op het nieuws het hebben over hydrocarbonaten weten onze leerlingen niet waarover het gaat.
De bisschop moet meer kennis hebben van - vul maar in - pedagogie. Wenselijk, inderdaad, maar het leidt tot niets uitvoerbaars, tot niets tastbaars.
Van iedere deelnemer aan het maatschappelijk proces mag enige zorgvuldigheid worden verwacht. Zwijgen en terughoudend reageren als het over zaken gaat waar kennis, inzicht en ervaring ontbreken. Die zorgvuldigheid kan bestaan uit navraag doen bij deskundigen als het om terminologie uit de chemie / economie / politiek... gaat. Dit geldt niet alleen voor journalisten.
Wie geen vreemdeling is in Jeruzalem, kan zien dat het bij communicatie (niet alleen bij chemie) vaak gaat over scoren, ijdelheid en ego-tripperij. Met dit bericht doe ook ik mee. Het eigen gelijk gaat boven alles. De barokke middelen om anderen dat gelijk in te peperen zijn genoegzaam bekend bij wie kranten leest, websites raadpleegt, televisie kijkt. 'Kijk eens hoe intelligent ik ben, kijk eens wat ik durf.' Chemiecommunicatie kan meedoen met dat spel. Het levert behalve rook en knallen weinig op. Daarnaast laat de chemie met deelname aan verontwaardiging en corrigerende ingezonden stukken de agenda door de ander bepalen, in plaats van door de eigenheid.
De stelling geeft aan wat een ander moet doen. Dat is een onvruchtbaar uitgangspunt. Een centrale vraag (ook in de chemie) kan zijn: "Hoe heb ik voor elkaar gekregen dat de media op deze manier over mij berichten?"
Let wel. Ik ben niet op zoek naar een schuldige. Ik vraag belangstellend en met enige passie: "Hoe heb je (chemicus/Narcissus) het beeld geschapen dat je van jezelf in de media terugziet? Wat ga je nu anders doen?"
Chemie kan enkel bij zichzelf te rade gaan. En als het antwoord onvindbaar is, kan de chemie op zoek gaan naar deskundigen om samen een antwoord te formuleren.
Al dan niet terechte angst en gebrek aan kennis en inzicht in communicatieve en relationele processen speelt chemie wellicht parten.
De ander (niet-chemicus) willen behagen of stil in hoekje zitten mopperen, zijn goede recepten voor mislukking. Wie wel eens geprobeerd heeft een ander gelukkig te maken, weet hoe dat (niet) werkt. Net als een huwelijk heeft elke relatie chemie nodig.
De missers zijn meestal te vinden in stukken van nieuwsredacteuren die - vaak voor het internet - snel over allerlei onderwerpen een bericht moeten kunnen schrijven en gewoon niet overal tot in detail verstand van kunnen hebben. In wetenschaps- en economiebijlages van kranten zijn gelukkig artikelen te vinden die wél van kennis van zaken getuigen. Ook op TV en radio vind je dat verschil terug. Soms gaat het mis, meestal in de waan van de dag, maar er zijn ook goede reportages te zien en beluisteren.
Hoeveel contact is er eigenlijk tussen de chemici en de heren en dames journalisten die wel eens een fout maken? Het zou me verbazen als de laatsten niet zouden willen weten waar en waarom ze zijn uitgegleden. Dáár zou de chemiesector eens aandacht voor moeten hebben. Dat lijkt me een stuk constructiever dan een klagerige stelling uit de archieven op te diepen en er voor de zoveelste keer een discussie aan te wijden.
Tot slot lijkt het me goed als de chemiesector in deze materie eens goed in de spiegel kijkt. Want als de journalistiek een gebrek aan elementaire chemiekennis wordt verweten, dan wil ik wel eens weten hoe het zit met het chemieniveau van de marketeers en communicatiestrategen die vaak de PR-afdelingen van chemiebedrijven bevolken. Zou daar misschien niet ook een kwaliteitsslag te maken zijn?
Ook merk ik dat een heel aantal wetenschappers alleen kennis heeft van hun eigen – zeer kleine – niche, maar dat zij vrijwel niets weten over andere onderwerpen die toch ook onder hun vakgebied vallen. Of zeer bepaalde posities innemen die haaks staan op bevindingen van andere specialisten. Het debat over klimaatverandering is daar een goed voorbeeld van. Tegenwoordig houd ik maar als richtlijn aan dat voor elk wetenschappelijk onderzoek wel een rapport te vinden is dat precies het tegenovergestelde beweerd.
Tralalalalalaaaaa, pompidom.
Voorbeeld: blikopnieuws.nl/.../...
Ik ben het er zeker mee eens, dat niet alleen journalisten hun chemie beter moeten opvijzelen (lees: feiten meer moeten controleren), maar dat er ook wel wat meer chemici zich mogen wagen aan het vak journalistiek. Een beetje wetenschapper wordt opgeleid om te schrijven.
Ook bleek dat het zogenaamde objectieve wetenschappelijke onderzoek van een van deze wetenschappers indirect gesponsord was door het bedrijf dat me dit onderzoek toestuurde. De wetenschapper in kwestie was namelijk werknemer van een onderzoeksinstituut dat deel uitmaakte van een samenwerkingsverband dat gesponsord werd door voornoemd bedrijf. Niet verwonderlijk pasten de conclusies van zijn onderzoek precies in het straatje van dit bedrijf, terwijl op grond van de feiten een heel andere uitkomst veel waarschijnlijker zou zijn geweest. Ook was essentiële informatie die deze heel andere uitkomst verder zou hebben onderbouwd, weggelaten.
Al met al is goede journalistiek bedrijven iets wat heel veel tijd kost. Wat me op het volgende punt brengt: gelden in de journalistiek vloeien niet zozeer richting de redactie maar naar aandeelhouders of topmanagers. Uitgeverijen – zoals Reed Elsevier, waar de heer Rozendaal voor werkt – streven hoge winstmarges na. Reed Elsevier maakte het daarbij wel heel erg bont door vorig jaar onder het mom van de crisis bij freelance journalisten een korting van 10% te bedingen, terwijl begin dit jaar bekend werd dat het bedrijf in 2009 een miljoenenbonus aan één van haar topmedewerkers uitkeerde.
Door lage betalingen kunnen freelance journalisten over het algemeen maar weinig tijd aan hun stukken besteden, wat fouten maken in de hand werkt. Journalisten in vaste dienst werken tevens onder hoge tijdsdruk.
Wat mij trouwens aan het artikel “Pers mist kennis van chemie” opvalt is dat er twee journalisten aan meewerken die beiden klaarblijkelijk hun vak niet verstaan: de heer Rozendaal verkondigt de ene lofuiting na de andere op de chemische sector en laat niet blijken over ook maar enig kritisch vermogen te beschikken. Dit is dan ook geen journalist maar een verkapte spreekbuis van de chemische industrie. Schrijft deze meneer soms voor vakbladen waarvan het budget voor het grootste deel gevormd wordt door advertentie-inkomsten uit de chemische industrie?
En de heer De Gruiter maakt zich aan hetzelfde schuldig: hij is niet in staat om enige - vakinhoudelijke - kritische vraag aan de heer Rozendaal te stellen. Deze meneer had op de geponeerde stellingen van de heer Rozendaal over de verminderde vervuiling door de chemische industrie, op zijn minst kunnen vragen naar andere zaken die spelen zoals de eerste stappen die pas recent zijn gezet ten aanzien van wetgeving voor deze sector, in de vorm van een danig ontkleedde versie van REACH.
Dit hele stuk lijkt een slecht verkapte advertorial te zijn, te meer doordat het logo van de campagne van de chemische industrie onderaan de pagina staat, als mede door de verwijzing naar de website van deze campagne. Waarom wordt deze discussie niet gewoon op de website van het desbetreffende vakblad voor de journalistiek gevoerd? En waarom is er geen journalist ingehuurd die wel verstand van chemie heeft en kritische vragen stelt?
Dat maakt dit artikel helaas tot een treffende illustratie hoe de lobby van een industriële sector werkt: het gaat er om luid en duidelijk te verkondigen dat deze sector heel veel geweldigs doet, dat al het negatieve van vroeger er niet meer is en dat journalisten daar nu maar eens over moeten gaan schrijven. Een schande dat zo’n stuk zomaar in een vakblad voor journalisten is geplaatst.
Graag reageer ik op een van je opmerkingen.
- er zijn diverse pogingen gedaan om het onderwerp Pers - chemische industrie op de journalistieke agenda te krijgen oa via een redactioneel stuk Villa Media. Helaas zag de redactie daar geen brood in.
Om de dialoog over dit onderwerp toch op gang te brengen binnen de doelgroep journalisten, is gekozen voor een advertorial. We zijn dan ook dankbaar voor alle reacties.
In Villamedia, het betreffende vakblad voor journalisten, staat niet boven het bewuste artikel dat het om een advertorial gaat. Dat had er toch echt bij moeten staan......
RSS lijst voor reacties op dit bericht